TRANSITIE ZONDER GEREEDSCHAP

Waarom Europese pesticidenregels leiden tot meer resistentie – en minder teelten.


De Europese landbouw moet duurzamer worden. Dat is een breed gedeelde ambitie. Een belangrijk instrument daarvoor is de Europese pesticidenwetgeving, met name Verordening 1107/2009, die bepaalt welke gewasbeschermingsmiddelen wel en niet op de markt mogen komen.
Die wetgeving heeft het middelenpakket voor boeren de afgelopen jaren sterk verkleind. Waar telers zo’n twintig jaar geleden nog konden beschikken over ongeveer duizend synthetische werkzame stoffen, is daar vandaag nog maar ongeveer een vijfde van over.
Op zichzelf hoeft dat geen probleem te zijn. Minder middelen kan prima, zolang er nieuwe, betere alternatieven voor terugkomen. Maar precies daar wringt het. Ondanks politieke ambities om innovatie te versnellen, blijven veel nieuwe – vaak groenere – middelen steken in langdurige toelatingsprocedures.


Het gevolg is dat telers steeds vaker moeten werken met een kleiner aantal werkingsmechanismen. En dat heeft een belangrijk, maar vaak onderbelicht effect: het vergroot de kans op resistentie.


Meer resistentie door minder middelen
In de gewasbescherming is variatie cruciaal. Door middelen met verschillende werkingsmechanismen af te wisselen, kun je voorkomen dat ziekten en plagen zich aanpassen. Als dat palet kleiner wordt, neemt de druk op de overgebleven middelen toe.
Ziekten en plagen worden dan sneller resistent. Dat risico wordt nog groter door klimaatverandering. Hogere temperaturen en veranderende weerspatronen leiden vaak tot meer ziektedruk en nieuwe plagen. Juist op dat moment wordt het aantal beschikbare bestrijdingsmechanismen kleiner. Het resultaat is een kwetsbaarder landbouwsysteem waarin middelen sneller hun werking verliezen.


Teelten verdwijnen uit het bouwplan
Er is nog een tweede effect dat minder zichtbaar is voor het grote publiek. Wanneer telers minder mogelijkheden hebben om ziekten en plagen te beheersen, neemt het risico van bepaalde teelten toe.
Boeren maken hun keuzes rationeel. Als de kans op misoogst te groot wordt, of als gewassen moeilijk te beschermen zijn, wordt het economisch simpelweg onverstandig om ze nog te telen. In verschillende sectoren zien we dat al gebeuren. Denk aan bepaalde groentegewassen of zachtfruit, waar telers steeds vaker besluiten om ermee te stoppen of ze uit het bouwplan te schrappen. Dat lijkt misschien een detail, maar het raakt direct aan de diversiteit en veerkracht van de Europese voedselproductie.


De risico’s liggen vooral bij de boer
Een derde probleem zit in de verdeling van risico’s in de voedselketen.
De onzekerheid door het wegvallen van middelen, toenemende ziektedruk en strengere regelgeving komt vrijwel volledig bij de teler terecht. Tegelijkertijd blijven markteisen vaak onveranderd. Retailers en afnemers hanteren regelmatig strengere residulimieten dan wettelijk vereist en stellen hoge cosmetische eisen aan producten. Die combinatie maakt het speelveld lastig. Boeren moeten produceren onder steeds moeilijkere omstandigheden, terwijl de ruimte voor onzekerheid in de keten klein blijft. In de praktijk betekent dit dat telers niet alleen de uitvoeringslast dragen, maar ook vrijwel alle economische gevolgen wanneer iets misgaat.


Druk op Europese voedselzekerheid
Samen zorgen deze ontwikkelingen voor een structurele druk op de Europese voedselproductie.
Meer resistentie, minder teeltopties en een ongelijke verdeling van risico’s maken het moeilijker om bepaalde gewassen in Europa te blijven produceren. Dat vergroot de afhankelijkheid van import uit regio’s waar vaak ruimere middelenregimes gelden.
De ambitie om landbouw te verduurzamen is terecht. Maar zonder snellere toelating van nieuwe, vaak groenere middelen en zonder een eerlijkere verdeling van risico’s in de keten dreigt het tegenovergestelde te gebeuren: geen groene doorbraak, maar een structureel verlies aan Europese teeltcapaciteit.


Volgende
Volgende

BROODJE (GE)ZONDER LAND